U dankt uw plaats aan uw geloof, wees daarom niet hoogmoedig maar vrees
Uit Bijbelse Boeken en Preken
Door John Piper
Over Geschiedenis van de Verlossing
Een deel van de Romans: The Greatest Letter Ever Written-serie
Vertaling door Bert Dijkhoff
U kunt ons helpen door de herziening van deze vertaling voor de nauwkeurigheid. Hier meer (English).
Romeinen 11:17-24[1]
En als nu sommige takken van de edele olijfboom zijn afgebroken en u, loten van een wilde olijfboom, tussen de overgebleven takken bent geënt en mag delen in de vruchtbaarheid van de wortel, 18 dan moet u zich niet boven de takken verheffen. Als u dat doet, moet u goed bedenken dat niet u de wortel draagt, maar de wortel u. 19 Maar nu zult u tegenwerpen: ‘Die takken zijn toch afgebroken zodat ik geënt kon worden?’ 20 Zeker, ze zijn afgebroken vanwege hun ongeloof en u dankt uw plaats aan uw geloof. Wees daarom echter niet hoogmoedig, maar heb ontzag voor God: 21 als Hij de oorspronkelijke takken al niet heeft gespaard, zou Hij u dan wel sparen? 22 Weet dat God goed is én streng. Hij is streng voor wie gevallen zijn, maar goed voor u – als u tenminste trouw blijf aan zijn goedheid, want anders wordt ook u afgekapt. 23 En als de Israëlieten niet volharden in hun ongeloof, zullen ook zij worden geënt, want God is bij machte hen opnieuw te enten. 24 Immers, als u die van nature een tak van de wilde olijfboom bent, tegen de natuur in op de edele olijfboom bent geënt, hoeveel eerder zullen zij die er van nature bij horen dan niet op hun eigen boom worden geënt!
Ik zei de vorige keer dat Paulus drie redenen gaf waarom niet-Joden niet hoogmoedig zouden moeten zijn en niet richting het ongelovige Israël zouden moeten opscheppen dat ze betere mensen zijn. Met andere woorden, Paulus is zeer verontrust over elke opleving van antisemitisme – elk gevoel, elke houding, elk woord of elke actie waarmee andere volkeren zich verwaand maken ten koste van de Joden. Ik had vorige week met een van zijn redenen te maken, en zal het vandaag nog over een andere hebben.
Er is reden voor zijn zorgen over hoogmoed. De waarheid waarin Paulus lesgeeft, zou door een hoogmoedig hart kunnen worden opgepakt en worden omgevormd in een platform voor hoogmoed. Wat is die waarheid? U ziet deze in vers 19: “Maar nu zult u tegenwerpen: ‘Die takken zijn toch afgebroken zodat ik geënt kon worden?’ Zeker.” Het is waar dat in Gods mysterieuze manier om de heilshistorie gestalte te geven, het ongeloof van Israël een middel is voor de verlossing van andere volkeren. En de verlossing van die andere volkeren zal op haar beurt een middel worden voor de toekomstige verlossing der Joden.
Kijk eens naar de volledige samenvatting van het hele hoofdstuk in de verzen 30-32:
Zoals u [niet-Joden] God eens ongehoorzaam was [een verwijzing naar alle eeuwen waarin zij, de naties, hun eigen gang gingen terwijl God zich vooral bezighield met Israël], maar door hun [van de Joden] ongehoorzaamheid nu Gods barmhartigheid hebt ondervonden …”
Dat is wat we zien in Romeinen 11:19-20. Vanwege de ongehoorzaamheid van de Joden in de zin van het afwijzen van hun Messias, ontvangen de andere volkeren nu barmhartigheid. Of zoals het in vers 19 staat:
‘Die takken zijn toch afgebroken [Joodse mensen wezen Christus af en werden afgesneden van de zegen van het verbond] zodat ik [een niet-Jood] geënt kon worden?’
In vers 30 en vers 19 staat hetzelfde.
Hoe levert Israëls ongehoorzaamheid de andere volkeren barmhartigheid op?
Een kort overzicht: Hoe resulteren het ongeloof, de ongehoorzaamheid en de afbreking van Israël, in barmhartigheid voor de andere volkeren? Twee antwoorden in deze tekst: Ten eerste, herinnert u zich wat Johannes de Doper zei tegen de groep Joodse leiders buiten Jeruzalem:
Toen hij zag dat veel farizeeën en sadduceeën op zijn doop afkwamen, zei hij tegen hen: ‘Addergebroed, wie heeft jullie wijsgemaakt dat je het komende oordeel kunt ontlopen? 8 Breng liever vruchten voort die tonen dat jullie tot inkeer gekomen zijn. 9 En denk niet dat je bij jezelf kunt zeggen: Wij hebben Abraham als vader. Want ik zeg jullie: God kan uit deze stenen kinderen van Abraham verwekken! 10 De bijl ligt al aan de wortel van de boom: iedere boom die geen goede vruchten voortbrengt, wordt omgehakt en in het vuur geworpen. (Mattheüs 3:7-10)
Anders gezegd, hij beweert dat Jood zijn (Abraham als je vader hebben) geen garantie voor verlossing is. U moet spijt tonen en ook vrucht dragen wat samengaat met spijt. Anders wordt de bijl aan de wortel gelegd en wordt u afgesneden van beloften van het verbond. (Let eens op de vergelijkbare beeldspraak in Romeinen 11:17 en verder.) Hij ziet een tegenwerping in hun opkomen en zegt: “En denk niet dat je bij jezelf kunt zeggen: Wij hebben Abraham als vader.” Met andere woorden, voel je niet verzekert van redding puur op basis van je fysieke afstamming van Abraham. En denk niet dat God eraan vastzit om Abrahams fysieke afstammelingen tot zijn volk te maken. Anders gesteld, denk niet dat God je moet redden omdat hij anders geen mensen van het verbond heeft en niet in staat zal zijn zich aan zijn beloften te houden. Kom niet met die tegenwerping. Waarom? “God kan uit deze stenen kinderen van Abraham verwekken!” Als Israël zoals het van nature is, met de bijl wordt afgehakt of wordt afgebroken vanwege ongeloof, denkt dan niet dat het God ontbreekt aan mensen die hem vereren. Hij zal hen uit stenen verwekken.
En dat is wat hij deed door de andere volkeren te redden. Daaraan kunt u zien hoe voordelig het voor de stenen was dat Israël in feite weigerde spijt te betuigen en te geloven in hun Messias. God wendde zich tot de andere volkeren. Hij paste de nieuwe belofte van het verbond toe op de naties en nam uit hun hart het stenen hart en verving die door een levend hart (Ezechiël 11:19; 36:26), en hij brengt de naties tot hemzelf met behulp van een groot almachtig genadewerk. Dus het eerste antwoord op deze vraag: Hoe brengt Israëls ongehoorzaamheid genade bij de andere volkeren, luidt als volgt: God streeft ernaar om mensen te hebben die zijn Zoon vereren en verheerlijken, en als Israël dat niet wil doen, zal God zijn volk scheppen uit de niet-Joodse stenen.
Het tweede antwoord komt uit Romeinen 3:19-20:
Wij weten dat de wet in alles wat hij zegt, spreekt tot degenen die onder de wet staan. En zo wordt ieder mens het zwijgen opgelegd en staat de hele wereld schuldig voor God. 20 Daarom geldt geen mens voor Hem als rechtvaardig door de wet na te leven, want juist de wet leert ons de zonde kennen.
Het punt hier is dat de wet van Israël de mond van de wereld blokkeert – Joodse en niet-Joodse. Het verstomt al onze tegenwerpingen dat God, door ons te straffen, onrechtvaardig is. We weten allemaal dat we schuldig zijn en in Gods gerechtshof geen rechten hebben.
De rol van Israël in deze wereldwijde aanklacht is dat ze bewijsstuk “A” zijn en dat de wet niet kan redden. Zij hadden de wet. Het was aan hen gericht. Ze waren bevoorrecht met verschillende soorten zegeningen die samengingen met de wet. Maar ze konden niet voldoen aan de hoogste eisen van de wet. En zo kon er geen verlossing komen via de wet (v. 20). Israël was voor de naties een lesboek: wij, niet-Joden, zagen in Israëls onbekwaamheid de hopeloosheid van wetshandhaving als pad naar vergeving en wij ontdekten dat de enige hoop alleen komt via de genade, alleen via het geloof, uitsluitend op basis van Christus. En op die manier ging de deur voor ons open dankzij het feit dat Israël struikelde over de struikelsteen der genade en het geloof in Christus. We zagen dat het zinloos is om vast te houden aan menselijk eigenschappen en voorrechten, zelfs Joodse. Des te meer is het zinloos voor andere volkeren. Dus waren we geholpen door Israëls neergang om te zien dat alles komt door genade. We vluchtten zelf naar Christus en waren gered.
Dus op deze twee manieren werden Romeinen 11:30 en 11:19 waar. Joodse takken werden afgebroken van de boom van het verbond zodat wij, niet-Joodse takken, geënt zouden kunnen worden. Of zoals in vers 30 staat: “Door hun ongehoorzaamheid nu Gods barmhartigheid hebt ondervonden.”
- Hun ongehoorzaamheid betekende dat God zich wendde tot de niet-Joodse “stenen” om een volk voor hemzelf te vormen.
- Het falen van Israël om rechtschapen te worden op basis van een wet laat ons zien dat verlossing alleen verloopt via genade via het geloof, alleen op basis van Christus, zodat dus zelfs anderen volkeren daarbij betrokken konden worden.
En om zeker te zijn dat we de samenvatting in de verzen 30-31 in haar compleetheid te pakken hebben, moeten we zien dat deze genade richting de andere volkeren, later zal leiden tot redding van het toekomstig Israël. Vers 31: “Zo zijn ook zij [de Joden] nu ongehoorzaam om door de barmhartigheid die u ondervonden hebt, ook zelf barmhartigheid te ondervinden.” Dus de redding van de niet-Joden is niet het einde van het verhaal, alsof God klaar zou zijn met Israël. Geheel Israël – dat wil zeggen een toekomstige generatie Israëlieten – zal zich bekeren tot Christus en gered worden vanwege de barmhartigheid jegens de andere volkeren. Hun ongehoorzaamheid leidt tot onze verlossing. Onze verlossing zal leiden tot hun verlossing.
Waak ervoor om niet van de meest bescheiden makende doctrines een reden tot verwaandheid te maken
Zo, dit alles is bedoeld om verwaandheid te verdelgen en om Joden en niet-Joden bescheiden, gebroken en afhankelijk te maken onder Gods genade. Maar we zijn allemaal zondaars en onze hoogmoed kan redenen tot opschepperij vinden zelfs in de meest bescheiden makende doctrines. En dat is waar Paulus hier mee te maken heeft. En oh, wat is dit voor ons van belang om te horen – voor ons die geloven dat ware doctrine ertoe doet. Laat ons er bewust van zijn dat je de meest bescheiden makende doctrines kunt nemen en die kunt gebruiken als reden voor opschepperij.
Paulus ziet in deze tekst dat dit gaat gebeuren – of misschien is het al aan de gang. Vers 19: “Maar nu zult u tegenwerpen: ‘Die takken zijn toch afgebroken zodat ik geënt kon worden?’ 20 Zeker, ze zijn afgebroken vanwege hun ongeloof en u dankt uw plaats aan uw geloof. Wees daarom echter niet hoogmoedig, maar heb ontzag voor God: 21 als Hij de oorspronkelijke takken al niet heeft gespaard, zou Hij u dan wel sparen?” De kernzaak is hier: “Wordt niet hoogmoedig.” Plaats uzelf niet boven de afgebroken takken. Spreek niet over het ongelovige Israël op een manier die u verheft. Praat over hen op een manier die laat zien dat u siddert van vrees en ontzag voor de vrijblijvendheid van Gods genade om u te redden. Wees niet hoogmoedig maar vrees – sidder vol ontzag daar u alleen dankzij barmhartigheid gered bent.
Als u blijft opscheppen, zult ook u afgebroken worden
Het zien van Israël in zijn ongeloof en verlorenheid zou voor siddering moeten zorgen, niet voor bespotting. Maar het begon hoogmoed en opschepperij op te leveren. Dus gaf Paulus drie redenen waarom dit ontzettend verkeerd was. De eerste hebben we de vorige keer gezien: Vers 18b: “Als u dat doet, moet u goed bedenken dat niet u de wortel draagt, maar de wortel u.” Die we vandaag willen behandelen, is te vinden in vers 21: “Als Hij de oorspronkelijke takken al niet heeft gespaard, zou Hij u dan wel sparen?” Wat betekent dat? Vers 22 legt uit: “Weet dat God goed is én streng. Hij is streng voor wie gevallen zijn, maar goed voor u – als u tenminste trouw blijf aan zijn goedheid, want anders wordt ook u afgekapt.”
De tweede reden die ik wil behandelen, waarom we beter niet kunnen opscheppen jegens de afgebroken takken – waarom het beter is dat we alle antisemitisme vermijden – is dat wanneer we op die manier blijven opscheppen, we zelf afgebroken zullen worden. Vers 22b: “Anders wordt ook u afgekapt.”
Hoe past dit bij de volharding der heiligen?
De hamvraag die ik hier wil behandelen, is hoe dit dreigement past bij de Bijbelse les over eeuwige veiligheid en de volharding der heiligen. Kunnen we anderen leren dat een echte gelovige in Christus – iemand die herboren is door de Geest van God en is vrijgesproken dankzij het geloof – op deze manier bedreigd moet worden? Wijst zo’n dreigement erop dat Paulus geloofde dat echte gelovigen – herboren, vrijgesproken mensen – zouden kunnen sterven?
Mijn antwoord is dat ja, we zouden dit soort dreigementen moeten gebruiken wanneer we spreken tot de kerkgemeenschap waartoe echte gelovigen en valse gelovigen behoren; en nee, dit betekent niet dat Paulus dacht dat echte gelovigen hun redding zouden kunnen verliezen. Wat is onze basis om deze twee dingen te beweren?
De basis is dat beide in de Bijbel staan: De Bijbel leert ons dat God ervoor zal zorgen dat zijn uitverkoren volk tot het einde toe volhardt in het geloof (niet het perfecte geloof, en niet zonder worstelingen); en de Bijbel dreigt christenen in het algemeen dat wanneer ze hun geloof schipbreuk laten oplopen, ze verloren zullen zijn. De reden waarom dit niet inconsistent is, is dat deze dreigementen een van de manieren zijn, die God gebruikt om zijn volk trouw tot aan het einde te houden.
Wanneer hij komt met een dreigement zoals “Wordt niet hoogmoedig, ga niet pochen tegenover de ongelovige Joden (verzen 20, 18) want anders zult ook u worden afgebroken” (vers 22), nemen ware gelovigen dat ter harte en zijn ze vol ontzag. Zij vrezen. Ze sidderen ten aanzien van hoe teer ze zijn en hoe afhankelijk van barmhartigheid ze zijn, en hoe belangrijk hun authenticiteit is en hoe belangrijk het is dat ze in hun gedrag laten zien hoe echt ze zijn. Op deze manier houdt het dreigement hen ervan af afvallig te worden.
Aan de andere kant, de hypocrieten in de kerk – de huichelaars, de mensen die niet echt spiritueel zijn en alleen maar meedoen met de religieuze processen – sidderen niet met bescheidenheid voor de waarschuwingen in de Bijbel. Ze kunnen zelfs de leer van eeuwige veiligheid of standvastigheid gebruiken om hun onverschilligheid voor deze teksten te vergoelijken. Dat is een teken dat ze in grote gevaar zijn en mogelijk helemaal geen ware christenen zijn.
Laten we zeker stellen dat de Bijbel ons leert dat God zal zorgen voor zijn eigen volk en, hoewel ze misschien vaak struikelen in het leven, hij zal ze uiteindelijk niet laten vallen en niet hun geloof de rug laten toekeren. Dat is beloofd als onderdeel van het nieuwe verbond in het Oude Testament. Bijvoorbeeld Jeremia 32:40: “Ik zal een eeuwig verbond met hen sluiten, Ik keer mij nooit meer van hen af en zal hen altijd zegenen. Ik zal hen met ontzag voor Mij vervullen, zodat zij zich nooit meer van Mij zullen afkeren.” God zal zo grondig en hervormend te werk gaan in de harten van zijn mensen dat ze altijd bij hem terugkeren als hun schat boven alle idolen van de wereld. Dan ga je naar het Nieuwe Testament en vind je daar dezelfde lessen:
Filippenzen 1:6: “Ik ben ervan overtuigd dat Hij die dit goede werk bij u begonnen is, het ook zal voortzetten tot het voltooid is op de dag van Christus Jezus.”
1 Korintiërs 1:8-9: “Hij [Christus] is het ook die u tot het einde toe de zekerheid geeft dat u geen blaam zal treffen op de dag van onze Heer Jezus Christus. 9 God, door wie u geroepen bent om één te zijn met zijn Zoon Jezus Christus, onze Heer, is trouw.”
Anders gezegd, wanneer hij u roept, zal zijn trouw hem eraan binden u te behouden en te houden. Zie Judas 1:24-25 en 1 Thessalonicenzen 5:23-24.
Romeinen 8:30: “Wie Hij hiertoe heeft bestemd, heeft Hij ook geroepen; en wie Hij heeft geroepen, heeft Hij ook vrijgesproken; en wie Hij heeft vrijgesproken, heeft Hij ook laten delen in zijn luister.”
Er staat niet: “Sommigen van die Hij heeft vrijgesproken, zullen delen in zijn luister.” Er staat: “Wie Hij heeft vrijgesproken, heeft Hij ook laten delen in zijn luister.” Er is een rotsvaste stelling dat wanneer we zijn vrijgesproken door barmhartigheid via het geloof in Christus, we zullen delen in zijn luister. God is trouw en zal zorgen dat we blijven geloven.
Hoe zit dat met zij die christen leken maar afdwaalden van het geloof?
Hoe zit dat met zij van wie we weten dat ze christen leken te zijn maar afdwaalden van het geloof om nooit terug te keren? De apostel Johannes schrijft als volgt over hen in 1 Johannes 2:19:
Ze zijn uit ons midden voortgekomen maar ze hoorden niet bij ons, want als ze werkelijk bij ons hadden gehoord, zouden ze bij ons gebleven zijn. Maar het moest aan het licht komen dat niemand van hen bij ons hoorde.
De kristalheldere les hier is de volgende: Iemand kan lid zijn van de kerk, gedoopt, deelnemen aan het Heilig Avondmaal, de diensten bezoeken, moreel correct aan de buitenkant maar “niet bij ons horen” – dat wil zeggen, niet werkelijk herboren, niet echt vertrouwend op Christus en niet waarlijk vrijgesproken. “Want als ze werkelijk bij ons hadden gehoord, zouden ze bij ons gebleven zijn.”
De les is niet dat ze werkelijk verlost waren en dat kwijt zijn geraakt. De les is dat ze bewezen met hun falen om stand te houden, dat ze niet werkelijk verlost waren. “Ze hoorden niet bij ons.” Of zoals het in Hebreeën 3:14 staat: “Want alleen als we tot het einde toe resoluut vasthouden aan ons aanvankelijk vertrouwen, blijven we deelgenoten van Christus.” Dat wil zeggen, onze volharding tot het einde is het voortdurend bewijs dat we deelgenoten zijn van Christus. Als we niet volharden waren we nooit deelgenoten van Christus geworden.
Wat betekent het dat sommigen afgebroken zullen worden en niet worden gespaard?
Dus, ter afsluiting, wat bedoelt Paulus dan als hij spreekt tot de kerk in Rome en aan het einde van vers 21 zegt: “Zou Hij u dan wel sparen?” En aan het einde van vers 22: “Want anders wordt ook u afgekapt.” Hij bedoelt dat aan de ene kant er echte, waarlijke, spirituele, interne hechtingen aan de boom zijn – het verbond van genade en verlossing; en aan de andere kant zijn er onechte, vervalste, niet-spirituele, externe hechtingen aan het verbond. Als men voorrang geeft aan voortdurende hoogmoed en antisemitisme, laten ze zien dat hun hechting slechts extern is, niet geestelijk en niet hervormend, en zullen ze afgebroken worden.
Wanneer vindt de afbreking plaats? Hoe ziet dat eruit?
Laten we concreet zijn, wanneer vindt deze afbreking plaats en hoe wordt dat ervaren? Kijk eens, in beide waarnemingen gaat het om de toekomende tijd. Vers 21b: “Zou Hij u dan wel sparen?” Vers 22b: “Want anders wordt ook u afgekapt.” Wanneer gebeurt dat? Hoe ziet dat eruit? Mijn antwoord is dat het plaatsvindt bij het laatste oordeel en vele mensen zal verbazen.
De afbreking zal de afsnijding zijn van het volk van God en van God zelf voor eens en voor altijd. Dit is wat Jezus zei in Mattheüs 7:22-23:
Op die dag zullen velen tegen Mij zeggen: “Heer, Heer, hebben wij niet in uw naam geprofeteerd, hebben wij niet in uw naam demonen uitgedreven, en hebben wij niet in uw naam vele wonderen verricht?” 23 En dan zal Ik hun rechtuit zeggen: “Ik heb jullie nooit gekend. Weg met jullie, onrechtplegers!”
In die woorden “Weg met jullie,” horen we het vreselijke knipgeluid van de veelzijdige snoeischaren die de vruchteloze, niet geestelijke, hypocriete kerkgaande christenen afsnijden van elke verbinding met de familie van God.
Een waarschuwing aan ons allen
Oh, wat een waarschuwing aan ons allen! Luister aandachtig en neem dit ter harte: Net als in het Oude Testament kun je een besneden, heilige offers brengend, extern de wet volgend, fysiek kind van Abraham zijn en niet een spiritueel kind van Abraham (Johannes 8:39-44; Romeinen 9:8), dus in de nieuwtestamentische kerk – net als in Bethlehem[2] – kunt u een gedoopt, het Avondmaal bijwonend, eredienst bezoekend, het tiende deel gevend, de leer belijdend kerklid zijn maar geen kind van God.
Ik sluit af met de woorden van Paulus in 2 Korintiërs 13:5:
Onderzoek bij uzélf of het geloof uw leven bepaalt, stel uzelf op de proef. U weet toch van uzelf dat Jezus Christus in u is? Als dat niet zo is, dan hebt u de proef niet doorstaan.
En een van die proeven, zegt Paulus, is: Wees niet hoogmoedig en verhef u niet boven de takken. Maar sidder met een bescheiden dankbaarheid dat u gered bent alleen door barmhartigheid alleen dankzij het geloof in Christus. Amen.
Noot van de vertaler
Bijbelse Boeken en Preken