Uw baan in evangelische dienst
Uit Bijbelse Boeken en Preken
Door John Piper Over Werk en Roeping
Vertaling door Bert Dijkhoff
U kunt ons helpen door de herziening van deze vertaling voor de nauwkeurigheid. Hier meer (English).
1 Corinthiërs 7:17-241
Het belangrijkste punt van mijn boodschap deze morgen kan uitgelegd worden als een verkondiging en als een gebed. Als verkondiging zou het zijn: Hoe u aan de eisen van uw beroep voldoet is een essentieel onderdeel van het zijn van een christelijke volgeling. Of om het anders te stellen: Hoe u uw werk doet, maakt een groot deel van uw gehoorzaamheid aan Jezus uit. Uitgelegd als gebed is het hoofdpunt van vandaag: Vader, geef ons allen de gift om bewust te zijn van uw aanwezigheid tijdens ons werk en om uw geboden te gehoorzamen in al onze werkrelaties. Ik geloof dat dit vandaag de boodschap van God aan ons is, en ik wil deze een paar minuten uitleggen op basis van 1 Corinthiërs 7:17-24.
Inhoud |
Laat ieder blijven wat hij was toen hij geroepen werd
Laten we, voordat we het gaan lezen, ons oriënteren op de voorafgaande context. Een van de problemen in de kerk van Korinthe was de onzekerheid over hoe het geloof in Christus zou moeten functioneren in de gewone relaties van het menselijk leven. Zo is bijvoorbeeld in 1 Corinthiërs 7 de vraag naar boven gekomen of het geloof in Christus in moet houden dat een man en vrouw afzien van seksuele relaties. Paulus geeft een daverende nee in vers 3. Een ander voorbeeld is de vraag uit de verzen 12-16, Wat moeten we doen als een huwelijkspartner zijn of haar geloof in Christus stelt maar de ander dat niet doet? Moet de gelovige dan weggaan om puur te blijven? Alweer antwoordt Paulus, nee. Blijf in de relatie waarin je was toen God je opriep tot het geloof. Geloof in Christus als Heer en Redder zal nooit funest zijn voor het huwelijksverbond dat God bij de schepping had bestemd. Maar dat gezegd hebbende, in de verzen 12 en 13 staat de apostel het toe dat als de ongelovige partner de gelovige partner verlaat en niets meer met de gelovige te maken wil hebben, de gelovige niet voor eeuwig aan die relatie is gebonden. Met andere woorden, tot het christelijk geloof komen, zorgt er niet voor dat iemand door God bestemde relaties op wil geven maar daarentegen deze juist zalig wil maken. Met lankmoedigheid, gebed en bescheiden, voorbeeldig gedrag, streeft de gelovige partner ernaar de ongelovige over te halen. Maar het kan zijn, zoals Jezus voorspelde in Mattheüs 10:34 en verder, dat de rebellie en het ongeloof van de ongelovige echtgenoot het christendom zal veranderen in een zwaard dat doorsnijdt in plaats van in kalmerend balsem dat heelt. Dus het principe dat de apostel volgt is: blijf in uw door God bestemde relaties; wees er niet op uit om die te verlaten of kapot te maken. Maar hij staat de uitzondering toe dat als de relatie verlaten wordt of wordt beëindigd door de ongelovige partner buiten je inspanningen of controle om, dan laat het zo zijn. De onschuldige gelovige is niet gebonden aan de deserteur.
Hier begint onze tekst in 1 Korintiërs 7:17. Na bespreking van het principe om te blijven in de door God bestemde huwelijksrelatie wanneer u een christen wordt, bespreekt Paulus nu dit principe in twee andere verbanden. Laten we 1 Korintiërs 7:17-24 lezen.
In het algemeen: laat ieder in de positie blijven die de Heer hem heeft gegeven, blijven wat hij was toen God hem riep. Dat schrijf ik voor aan alle gemeenten. Iemand die besneden was toen God hem riep, moet het niet ongedaan laten maken. Iemand die onbesneden was toen God hem riep, moet zich niet laten besnijden. Het is niet belangrijk of men besneden of onbesneden is, belangrijk is dat men de geboden van God in acht neemt. Laat ieder blijven wat hij was toen hij geroepen werd. Wanneer u als slaaf geroepen bent, moet u zich daar niet druk over maken, al moet u de kans om vrij te worden zeker benutten. Want een slaaf die door de Heer geroepen is, is een vrijgelatene van de Heer, zoals degene die als vrij man geroepen is een slaaf van Christus is. U bent gekocht en betaald, dus wees geen slaven van mensen. Laat, broeders en zusters, ieder voor God blijven wat hij was toen hij geroepen werd.
Het principe dat Paulus ons al heeft bijgebracht in relatie tot het huwelijk, wordt hier drie keer heel duidelijk benoemd. Kijk eens naar vers 17: “In het algemeen: laat ieder in de positie blijven die de Heer hem heeft gegeven, blijven wat hij was toen God hem riep. Dat schrijf ik voor aan alle gemeenten.” Dan vers 20: “Laat ieder blijven wat hij was toen hij geroepen werd.” Dan vers 24: “Laat, broeders en zusters, ieder voor God blijven wat hij was toen hij geroepen werd.” Deze drie stellingen van Paulus’ principe splitsen de tekst in twee delen. Het kan handig zijn om zich dit voor te stellen als de drie plakken brood van een dubbeldekker sandwich (zoals de Big Mac). Tussen de twee bovenste plakken zitten verzen 18 en 19 waar het principe wordt toegepast op de kwestie over besneden en onbesneden. Tussen de onderste twee plakken zitten de verzen 21-23 waar het principe wordt toegepast op slavernij en vrijheid. Maar voordat we een van beide toepassingen kunnen begrijpen, moeten we een sleutelwoord van het principe zelf verduidelijken.
Wat voor soort roeping is hier te zien?
Het woord dat als vervoeging in elke stelling van het principe voorkomt en acht keer in totaal binnen deze paragraaf, is het woord “roeping.” Als Paulus in vers 17 zegt: “Laat ieder in de positie blijven … toen God hem riep,” en als hij in vers 24 zegt: “Laat ieder voor God blijven wat hij was toen hij geroepen werd,” verwijst hij naar een goddelijke roeping waarmee we naar het geloof in Christus werden getrokken. We gebruiken vaak het woord “roeping” om te verwijzen naar ons beroep: het is mijn roeping om huisvrouw te zijn; het is mijn roeping om verkoper te zijn; enz. Maar dat is niet zoals Paulus het gebruikte in zeven van de acht keer dat het in deze paragraaf voorkomt. Hij gebruikt het woord “roeping” één keer in die beroepsmatige zin, namelijk in vers 20. Letterlijk staat er in deze vers: “Laat ieder blijven wat hij [volgens de roeping] was toen hij geroepen werd.” Het woord “roeping” verwijst hier naar beroep of levensfase. En in dit beroep of deze levensfase komt een andere roeping van God. Die roeping is de aantrekking van de heilige Geest naar verbondenheid met Christus. De roeping van God die bij een beroep uitoefende persoon komt, is simpelweg de macht van God om de ziel via het evangelie te bekeren.
Dit is allemaal verduidelijkt in 1 Korintiërs 1. In hoofdstuk 1, vers 9, zegt Paulus: “God, door wie u geroepen bent om één te zijn met zijn Zoon Jezus Christus, onze Heer, is trouw.” Dus alle christenen, en alleen christenen, zijn in dat opzicht geroepen. Deze roeping vanuit God is, aan de ene kant, anders dan onze beroepsmatige “roeping” en, aan de andere kant, anders dan de algemene roeping aan ieder mens om tot inkeer te komen. Toen Jezus in Mattheüs 22:14 zei: “Velen zijn geroepen, maar slechts weinigen uitverkoren,” verwees hij naar de wereldwijde, evangelische oproep die vele mensen horen en afwijzen met hun eigen ondergang als gevolg. Maar dat was niet de roeping waar Paulus aan dacht. De roeping vanuit God, die ons brengt tot een liefdevolle geloofsband met Jezus, is een krachtige, effectieve roeping die ons naar de Zoon trekt (Johannes 6:44, 65). Dit is het duidelijkst te zien in 1 Korintiërs 1:23, 24 waar Paulus zegt: “Maar wij verkondigen een gekruisigde Christus, voor Joden aanstootgevend en voor de andere volken dwaas. Maar voor wie geroepen zijn, zowel Joden als Grieken, is Christus Gods kracht en wijsheid.” De “geroepen mensen” zijn niet allen die naar de prediking luisteren maar zij die het ontvangen als wijsheid. We kunnen de verzen in eigen woorden weergeven om het verschil te laten zien tussen de algemene roeping en de effectieve roeping: Paulus zegt: “We roepen iedereen op om in de gekruisigde Christus te geloven maar vele Joden vinden deze roeping een struikelblok en vele niet-Joden vinden deze roeping dwaasheid maar zij die geroepen worden (dat wil zeggen, krachtig en effectief naar Christus worden getrokken), ontdekken dat de evangelische roeping, de macht en wijsheid van God is.”
Dus als Paulus in 1 Korintiërs 7:17, 20 en 24 zegt dat we voor God moeten blijven en met God moeten leven zoals we waren toen we werden geroepen, bedoelt hij: Blijf in de toestand waarin je was toen je werd bekeerd, toen je door God een liefdevolle geloofsband met zijn Zoon in werd getrokken.
Het principe toegepast op Joden en niet-Joden
Nu moeten we begrijpen hoe Paulus dit principe in zijn tijd toepaste, en wat dit vandaag de dag betekent voor ons. Daarbij zal het onderliggend theologisch argument ook naar voren komen. Paulus’ eerste toepassing van het principe is niet op beroepen maar op besneden of onbesneden zijn. Hij past het als volgt toe: wanneer u als niet-Jood bent bekeerd, probeer dan geen Jood te worden. Wanneer u als Jood bent bekeerd, probeer dan geen niet-Jood te worden. Dat is in feite waar besneden en onbesneden voor stond. Dat heeft verreikende culturele gevolgen: wanneer u zwart bent, probeer dan niet wit te worden; wanneer u wit bent, probeer dan niet zwart te worden. Wanneer u Mexicaan bent, probeer dan niet Amerikaan te worden; wanneer u Amerikaan bent, probeer dan niet Mexicaan te worden. Dan geeft Paulus het theologisch argument voor deze waarschuwing. In vers 19 staat letterlijk: “Het is niet belangrijk of men besneden of onbesneden is, belangrijk is [boven alles staat] dat men de geboden van God in acht neemt.” Dat was wel het meest beledigende wat Paulus tegen een Jood kon zeggen: Besnijdenis is niet belangrijk. En als we de brede culturele toepassing begrijpen, beledigt het ons allemaal. Maar het is waar. Kijk eens hoe Paulus’ logica om uw culturele kenmerken te behouden, radicaal anders is dan de moderne logica van tegenwoordig. Wij zeggen, wit is mooi, zwart is mooi, rood is mooi, geel is mooi; dus probeer niet te veranderen van cultuur. Paulus zegt, wit is onbelangrijk, zwart is onbelangrijk, rood is onbelangrijk, geel is onbelangrijk, maar Gods geboden naleven is alles; dus probeer niet van cultuur te veranderen. Blijf waar u bent en gehoorzaam God. Paulus is een denker die wars is van trends en daarom eeuwig van belang. Hij is radicaal op God gericht. Alles, alles is ondergeschikt aan de voorkeur voor God.
Het is absoluut nodig dat we dit begrijpen om te voorkomen dat we een nieuwe set wet- en regelgeving bedenken. Het oude recht luidt: “Je moet besneden zijn om te kunnen worden gered” (Handelingen 15:1). Je moet wit zijn om OK gevonden te worden.” Het nieuwe recht luidt: “U mag niet besneden zijn als u gered wilt worden. U mag niet wit zijn als u geaccepteerd wilt worden.” We zullen Paulus’ lessen verminken en zijn bedoeling missen als we deze zin nemen: “Iemand die onbesneden was toen God hem riep, moet zich niet laten besnijden” (vers 18), en er een absoluut verbod op culturele aanpassingen van maken. Paulus spreekt geen algemene veroordeling uit over allen die aspecten van andere culturen overnemen en aspecten van hun eigen cultuur opgeven. Dat blijkt duidelijk uit het feit dat hij Timotheüs liet besnijden (Handelingen 16:3), en uit zijn eigen bewering dat hij voor iedereen wel íets is geworden, om in elke situatie tenminste enkelen te redden (1 Korintiërs 9:22). Wat Paulus deed is laten zien dat gehoorzaamheid ten aanzien van de geboden van God zoveel meer van belang is dan welk cultureel kenmerk dan ook, dat de pure wijziging in deze kenmerken voor christenen in geen enkele zin van belang hoeft te zijn. Met andere woorden, maak er geen groot probleem van of u al dan niet besneden bent, of u al dan niet wit, zwart, rood of Zweeds bent. Maar maak in de plaats daarvan gehoorzaamheid tot iets belangrijks; zorg ervoor dat het hele doel van uw leven bestaat uit het gehoorzamen van de morele wet van God. Dan, en alleen dan, kunnen besnijdenissen (zoals Paulus suggereert in Romeinen 2:25) en andere culturele kenmerken mooi worden, op een zeer ondergeschikte en indirecte manier, als uitdrukkingen van de gehoorzaamheid van het geloof. Kortom, de toepassing van Paulus’ principe op culturele kenmerken is de volgende: Wees niet bezorgd en schep niet op over uw huidige toestand van culturele kenmerken; ze zijn van weinig belang voor God vergeleken bij of u al dan niet uzelf, uw ziel, geest en lichaam wijdt aan het gehoorzamen van zijn geboden die allen hierin worden samengevat: “Heb uw naaste lief als uzelf” (Romeinen 13:8-10; Galaten 5:14).
Het principe toegepast op slaven en ex-slaven
Dan wendt Paulus zich in de verzen 21-23 tot de toepassing van zijn principe op de kwestie of iemand een slaaf of ex-slaaf is. Het vertaalprobleem in vers 21 is zeer lastig. In de meeste moderne versies staat: “Wanneer u als slaaf geroepen bent, moet u zich daar niet druk over maken, al moet u de kans om vrij te worden zeker benutten” (NBV21). Dat mag correct zijn maar ik vind het moeilijk te accepteren aangezien het principe dat hij verduidelijkt, in vers 20 als volgt wordt uitgedrukt: “Laat ieder blijven wat hij was toen hij geroepen werd,” en in vers 24 als: “Laat, broeders en zusters, ieder voor God blijven wat hij was toen hij geroepen werd.” Het lijkt tussen die twee helemaal misplaats om te zeggen: “Al moet u de kans om vrij te worden zeker benutten.” Buiten dat doet deze vertaling geen recht aan alle woorden in het Grieks (“zelfs” en “liever”) die opduiken in de alternatieve vertaling: “Werd u geroepen toen u slaaf was? Laat u dat geen zorg zijn; maar, zelfs als u een bevrijde slaaf kunt worden, maak liever gebruik van (uw huidige staat).” Het ware verschil, zo lijkt me, moet als volgt uitgedrukt worden: “Laat uw slavernij u niet bezorgd maken, maak er in de plaats daarvan gebruik van.” Gebruik het om Christus te gehoorzamen en verhoog op die manier “het aanzien van de leer van God, onze redder” (Titus 2:10).
Ik denk dat het in de slotanalyse waar is dat dit niet een absoluut verbod is op het accepteren van vrijheid net zo goed als vers 18 geen absoluut verbod op besnijden was. Maar als je dit vertaalt als een gebod om vrijheid te zoeken, is het ware punt van het tekstdeel vervaagd. Het punt is: als u naar de verbondenheid met Christus wordt geroepen, krijgt u een nieuwe set van radicale op Christus gerichte prioriteiten zodanig dat wanneer u een slaaf bent, het u niet ongerust hoeft te maken. “Wanneer u als slaaf geroepen bent, moet u zich daar niet druk over maken.” Is uw baan laagbetaald? Maak u daarover niet druk. Is het een baan die niet zo hoog wordt gewaardeerd als andere beroepen? Maak u daarover niet druk. Dat was hetzelfde punt als dat hij maakte bij culturele kenmerken zoals besnijdenissen: Bent u onbesneden? Maak u daarover niet druk. Bent u besneden? Maak u daarover niet druk.
Paulus kon voor deze toestand hetzelfde theologisch argument hebben gegeven als hij gaf in vers 19. Hij had kunnen zeggen: “Het is niet belangrijk of men slaaf of ex-slaaf is, belangrijk is dat men de geboden van God in acht neemt.” Dat is waar. Maar Paulus verdiept ons begrip met een nieuw theologisch argument. De reden waarom iemand kan zeggen: “Maak u daarover niet druk,” zelfs als hij een slaaf is, is de volgende: vers 22: “Want een slaaf die door de Heer geroepen is, is een vrijgelatene van de Heer.” En de reden waarom iemand die vrij is, kan zeggen: “Maak u daarover niet druk,” is vergelijkbaar: “Hij die vrij was tijdens de roeping, is een slaaf van Christus.” Ik hou ervan om te zien hoe Paulus deze theologie zo laat werken. Hij zegt dat er in het evangelie een tegengif is voor wanhoop in slecht betaalde baantjes en een tegengif voor hoogmoed in hooggewaardeerde banen. Hij kijkt naar de slaaf die zich mogelijk hopeloos voelt, en zegt: “Bij Christus bent u een vrij mens. U bent gekocht tegen een prijs. Laat geen mens uw ziel tot slaaf maken. Verheug u in de Heer en hoop op hem dan zult u vrijer zijn dan al die angstvallige edellieden.” Dan kijkt hij naar de edele, vrije mens en zegt: “Word niet hoogmoedig want bij Christus bent u een slaaf. Er is iemand die autoriteit over u heeft, en u moet bescheiden en onderdanig zijn.”
De conclusie hiervan is dat ongeacht of iemand een slaaf of een ex-slaaf is, dat niet de oorzaak moet zijn van diens wanhoop of hoogmoed. Hij moet in staat zijn om te zeggen: “Daarover maak ik me niet druk.” Hij hoort niet op te scheppen als hij een dokter, advocaat of directeur is, en hij hoort geen zelfmedelijden of depressie te hebben als hij een baan heeft die door de maatschappij minder hoog wordt gewaardeerd. “Laat, broeders en zusters,” zo sluit Paulus af in vers 24, “ieder voor God blijven wat hij was toen hij geroepen werd.” Voor God! Daar heb je die cruciale term. Wat in het leven en in het eeuwig leven van belang is, is dichtbij God blijven en zijn aanwezigheid genieten. Wat van belang is, is niet of onze baan hoog of laag is in de ogen van de mensen. Wat van belang is, is of we worden opgebeurd en ons bescheiden opstellen door de nabijheid van God.
Wanneer we de twee toepassingen van Paulus’ principe samenvoegen, lijkt de les te zijn: Gehoorzamen van de geboden van God (v. 19) en zijn aanwezigheid genieten (v. 24) zijn aanzienlijk meer van belang dan uw cultuur of uw baan, zodat u geen drang hoeft te voelen om uw positie te veranderen. U zou niet door de ene gedreven moeten worden met angst en wanhoop noch aangetrokken moeten worden door de andere met rijkdom of protserigheid. U zou in staat moeten zijn om over uw positie te zeggen: “Daar maak ik me niet druk om. Dat is niet mijn leven. Mijn leven bestaat uit het gehoorzamen van God en het genieten van zijn aanwezigheid.”
Vier praktische gevolgen
Laat me nu afsluiten met enkele praktische gevolgen. Eerst, God is veel meer bezig met hoe u uw baan die u nu heeft, uitoefent, dan met of u al dan niet een nieuwe baan krijgt. Binnen deze geloofsgemeenschap hebben we ziekenverzorgers, docenten, timmerlieden, kunstenaars, secretaresses, boekhouders, advocaten, receptionisten, accountants, sociaal werkers, allerlei soorten reparateurs, ingenieurs, kantoormanagers, serveersters, loodgieters, verkopers, beveiligers, dokters, militair personeel, adviseurs, bankiers, politieagenten, decorateurs, muzikanten, architecten, schilders, schoonmakers, schoolbestuurders, huisvrouwen, zendelingen, predikanten, schrijnwerkers en veel meer. En wat wij allen moeten horen, is dat wat het meest na aan het hart van God ligt, niet is dat we van het ene naar het andere gaan, maar of we in onze huidig werk Gods beloofde aanwezigheid genieten en zijn geboden opvolgen in de manier waarop we ons werk uitvoeren.
Ten tweede, zoals we hebben gezien, het gebod om te blijven in het beroep waarin u was toen u bekeerde, is niet absoluut. Het veroordeelt niet alle wisselingen van baan. We weten dat, niet alleen dankzij de uitzonderingen die Paulus toestond ten aanzien van zijn principe hier in 1 Korintiërs 7 (overeenkomstig vers 15), maar ook omdat de Schrift zulke wisselingen beschrijft en toestaat. Er staat in het Oude Testament een regeling voor het bevrijden van slaven, en we zijn bekend met een belastinginner die predikant werd en vissers die zendelingen werden. Buiten dit, weten we dat er bepaalde banen zijn waarin je niet kunt blijven én Gods geboden gehoorzamen: bijvoorbeeld prostitutie, talloze vormen van onbehoorlijk en bedorven vermaak, en andere banen waarin u mogelijk wordt gedwongen mensen uit te buiten. Paulus zegt niet dat een professionele dief of een prostituée uit de Korintische cultuur hun beroepen waarin ze waren toen ze bekeerd werden, moeten blijven uitoefenen. De vraag in Korinthe was: Wanneer we tot Christus komen, wat moeten we dan achterlaten? En Paulus’ antwoord is: U hoeft uw beroep niet op te geven wanneer u deze kunt blijven uitoefenen bij God. Zijn zorg is niet om wisselingen van banen te veroordelen maar om u te leren dat u voldoening in Christus kunt hebben ongeacht uw werk. Dat is een les die in de hedendaagse westerse samenleving tegen alle trends ingaat want het kapt de zenuw van de wereldse ambitie af. We moeten lang en diep nadenken of datgene wat we richting onze kinderen communiceren over succes, bijbels of slechts Amerikaans is. De boodschap van God aan ons allen als “succeszoekers” is de volgende: Pak alle ambitie en motivatie die u stopt in uw stijgende carrière en giet het in de plaats daarvan in geestdrift ter genot van Gods nabijheid en voor de gehoorzaamheid aan zijn in de Schrift onthulde wil.
Ten derde, voor jullie jongen mensen die nog geen beroep uitoefenen, is volgens onze tekst dit de consequentie: Wanneer je jezelf de vraag stelt, “Wat is Gods wil voor mijn leven?” moet je luid antwoord geven: “Zijn wil is dat ik de nauwe verbondenheid met hem in stand hou en mezelf wijd aan het gehoorzamen van zijn geboden.” Gods bekendgemaakte wil voor jou (de enige wil om binnen je verantwoordelijkheid te gehoorzamen) is je heiliging (1 Thessalonicenzen 4:3), niet je beroep. Wijd jezelf daaraan met heel je hart en accepteer elke baan die je maar wilt. Ik twijfel er niet aan dat als al onze jonge mensen elke inspanning afbuigen richting nauw contact met God en het gehoorzamen van de geboden in de Schrift, God ze in de wereld zal verspreiden naar precies waar hij de invloed voor zichzelf wil hebben.
Ten vierde en ten slotte, deze tekst betekent dat de baan die u nu heeft, zolang u hier bent, Gods missie voor u is. In vers 17 staat: “Laat ieder in de positie blijven die de Heer hem heeft gegeven.” God is almachtig. Het is geen toeval dat u bent waar u bent. “Een mens stippelt zijn weg uit, de HEER bepaalt de richting die hij gaat” (Spreuken 16:9). “Een mens maakt allerlei plannen, wat wordt uitgevoerd, is het plan van de HEER” (Spreuken 19:21). “Men werpt het lot in een mantel, de HEER bepaalt hoe het valt” (Spreuken 16:33). U bent waar u bent volgens goddelijke missie zelfs als u daar kwam door bedrog. Uw baan is uw evangelische missie evengoed als de mijne dat is. Hoe u voldoet aan de beroepseisen is in het leven net zo belangrijk als dat wat u hier op zondag doet. Voor velen van ons kan dat betekenen dat er morgenvroeg een nieuwe fase in het leven wordt begonnen. Laten we allen bidden voordat we aan het werk gaan: “God, zij met mij vandaag en laat me bewust blijven van uw aanwezigheid. Beur mijn hart op als ik de neiging heb wanhopig te worden, en maak me bescheiden wanneer ik de neiging heb om hoogmoedig te worden. O God, geef me de genadegift voor het gehoorzamen van uw geboden, waarvan ik weet dat die allemaal samenkomen in het volgende: om mijn naaste lief te hebben als mijzelf. Amen.”
Noot van de vertaler
1 Bijbelteksten zijn geciteerd uit de Nieuwe Bijbelvertaling van 2021 (NBV21)
Bijbelse Boeken en Preken